Nolet en de Schiedamse moutwijn- en jeneverindustrie

Distilleerderij Nolet en molen De Nolet.

In zijn lezing op de bijeenkomst van de Vereniging Bedrijf en Historie bij distilleerderij Nolet (6 juni 2018) stond Peter Zwaal uiteraard uitvoerig stil bij de geschiedenis van één van de oudste familiebedrijven van Nederland. Zwaal begon zijn lezing echter met een verslag van zijn zoektocht naar de herkomst van de aan Schiedam klevende bijnaam Zwart Nazareth.

Sinds The Amazing Stroopwafels in 1990 een gelijknamig liedje uitbrachten waarin het Schiedam van 1864 werd bezongen, is het onheilspellende begrip Zwart Nazareth door de gemeente en andere instanties uit Schiedam steeds meer omarmd als een soort geuzennaam die zich prima leent als leidraad en motief voor storytelling en citymarketing. Zo worden er bijvoorbeeld sinds 2011 stadswandelingen gehouden onder de naam “Zwart Nazareth tour” en was de Schiedamse Hoogstraat tijdens een manifestatie in 2016 getransformeerd tot een walk through museum waarin “het verhaal van Zwart Nazareth” werd gepresenteerd. Veelzeggend voor de herwaardering van het begrip Zwart Nazareth is ook dat de Schiedamse distilleerderij Herman Jansen in 2017 een exclusieve moutwijnjenever op de markt bracht onder de naam Zwart Nazareth – uiteraard in een stemmig ogende inktzwarte uitmonstering.

Tot ver na de Tweede Wereldoorlog heeft Schiedam zijn bijnaam Zwart Nazareth eer aangedaan (foto uit 1949).Zwaal memoreerde kort een tweetal gedichten – Zwart Schiedam (1845) van assuradeur-zondagsdichter Jacobus Clemens Perk en Het zwart Schiedam (1880) van dominee-dichter François Haverschmidt/Piet Paaltjens – die soms genoemd worden als bron van de term Zwart Nazareth. In beide gedichten wordt het naar alcohol, gist en spoeling stinkende en met roet besmeurde Schiedam in geuren en kleuren beschreven maar nergens verwijzen Perk en Paaltjens naar Schiedam als zijnde Zwart Nazareth. Ook Bordewijks novelle Verbrande Erven (1944) ontbeert zo´n verwijzing. Vervolgens zette Zwaal de twee bestaande theorieën uiteen wat Schiedam en Nazareth met elkaar verbindt en/of een vergelijking tussen deze plaatsen rechtvaardigt. De eerste theorie voert terug op Johannes 1:47, waarin de discipel Filippus een zekere Nathanael aanwerft als volgeling van Jezus van Nazareth. Nathanaels reactie is dat hij niet kan geloven dat uit Nazareth iets goeds kan komen, laat staan de Messias (“de koning der joden”). Evenzo is het een wonder dat uit zwartgeblakerd en stinkend Schiedam een product kan komen, namelijk jenever, dat wereldwijd afzet vond (“de koning der dranken”). De tweede theorie, bedacht door de Schiedamse amateurhistoricus Gerard de Winter, luidt dat enkele tientallen landbouwstokers uit de omgeving van het Oost-Vlaamse plaatsje Nazareth (bij Gent) in de periode 1860-1870 in Schiedam kennis kwamen opdoen omtrent moderne branderijtechnieken en zo gaandeweg Schiedam begonnen te beschouwen als zijnde een tweede Nazareth, zij het veel zwarter dan hun geboorteplaats. Volgens Zwaal zijn beide theorieën vergezocht en niet erg overtuigend en doet de gemeente Schiedam er goed aan eerst eens diepgravend onderzoek te laten uitvoeren naar de precieze herkomst van het begrip Zwart Nazareth alvorens er goede sier mee te maken.

Ditilleerderij Nolet (1976).De familie Nolet drukt al honderden jaren lang een stempel op Schiedam en heeft behalve in de moutwijn- en jeneverindustrie ook haar sporen nagelaten in het openbaar bestuur, het culturele en sociaal-maatschappelijke leven van Schiedam. In zijn lezing wandelde Zwaal stapsgewijs de Nolet-stamboom af vanaf de zesde generatie (Jan Nolet 1801-1861) tot en met de tiende generatie (Carel Nolet 1941). Daarbij merkte Zwaal op dat zijn kennis omtrent het familiebedrijf Nolet louter gestoeld is op openbare bronnen zoals krantenartikelen, Schiedamse jaarboekjes en verslagen van de plaatselijke Kamer van Koophandel. Hoewel een groot deel van het vroege bedrijfsarchief en de boekhouding nog intact is heeft de familie Nolet deze archiefbescheiden nimmer systematisch laten onderzoeken. Volgens Zwaal een gemiste kans, omdat juist een tamelijk compleet archief als dat van Nolet inzicht zou kunnen verschaffen in hoe en met wiens hulp de Schiedamse distillateurs er in de tweede helft van negentiende eeuw in zijn geslaagd om jenever te doen laten uitgroeien tot een wereldwijd begeerd product met een status die enigszins vergelijkbaar is met die van whisky en cognac tegenwoordig. Ook zou het interessant zijn om eindelijk eens een kwantitatieve verdeling te kunnen presenteren van de negentiende eeuwse jeneverexport naar afzetgebied, waarover nog heel veel onduidelijkheid bestaat, en om te kijken hoe innig jeneverproducenten samenwerkten met binnenlandse en buitenlandse handelshuizen.

Carel Nolet (1990).Volgens Zwaal is het Carel Nolet geweest die het bedrijf in de late jaren zeventig van de ondergang heeft gered. Nadat de distilleerderij door twee wereldoorlogen en het dekolonisatieproces was afgesneden geraakt van veel van haar exportmarkten, moest Nolet genoegen nemen met een uiterst bescheiden plaatsje op de overvolle binnenlandse markt. Op die markt heerste bovendien een prijzenoorlog die de winstgevendheid sterk onder druk zette. Door al zijn troefkaarten te zetten op één product, Ketel 1 jonge jenever (1977), dat kwalitatief duidelijk boven de middelmaat uitstak, koos Carel Nolet voor een tamelijk riskante strategie die gelukkig goed heeft uitgepakt. Een joint venture met het Britse drankenconcern Diageo (2008) voor de wereldwijde verkoop en distributie van de wodka Ketel One heeft van Nolet wederom een bedrijf gemaakt met een sterk internationale oriëntatie. Het verkoopsucces van Ketel One heeft echter wel bewerkstelligd dat er in Schiedam tegenwoordig meer wodka dan jenever wordt geproduceerd.

 

Deze samenvatting van mijn lezing verscheen eerder in de nieuwsbrief van de Vereniging Bedrijf en Historie (VBH).