Vanavond een vieux

Imitatiecognac van distillateur Jacques Hennekens uit het Limburgse Beek.

Imitatiecognac van distillateur Jacques Hennekens uit het Limburgse Beek.

Cognac van Henri Vlek's Wijnhandel N.V. uit Den Haag: echt (want geïmporteerd) of namaak of een beetje van allebei?

Cognac van Henri Vlek’s Wijnhandel N.V. uit Den Haag: echt (want geïmporteerd) of namaak of een beetje van allebei?

Cognac fine Champagne of cognac van melassealcohol uit de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (Delft)?

Cognac fine Champagne of cognac van melassealcohol uit de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (Delft)?

 

 

 

 

 

 

 

 

Koetsierscognac en façon-cognac

Geknoei en gesjoemel met het product cognac kent in Nederland een zeer lange traditie. In krantenadvertenties en annonces duikt vanaf 1860 stelselmatig de zegswijze echte Fransche cognac op, wat onmiddellijk duidelijk maakt dat er ook heel wat onechte cognac verhandeld en geschonken moet zijn. Een veel voorkomende praktijk in de Nederlandse wijn- en gedistilleerdhandel was het versnijden (mengen) van cognac met goedkope witte wijn. In de volksmond heette een drank die voor ongeveer de helft uit cognac en voor de andere helft uit wijn bestond koetsierscognac. Die benaming had niet zozeer van doen met de vermeende drankzucht van koetsiers – al zullen er best koetsiers zijn geweest die hem flink konden raken – maar voert terug op het Jiddische woord chatsie (half) dat in het Duits verbasterd werd tot Kutscher. Een Kutscher of koetsiertje was een half-om-half drankje: half cognac, half witte wijn, goedkoper en makkelijker doordrinkbaar dan echte cognac.[1]

In de laatste decennia van de negentiende eeuw raakte echter een heel andere methode om imitatiecognac te vervaardigen in zwang. Bij deze methode werd een mengsel van gelijke delen water en goedkope melassealcohol geïnfuseerd met een kleine hoeveelheid muskaatwijn waaraan een kleurstof (caramel) en een geur- en smaakstof (cognacessence) waren toegevoegd. In 1893 demonstreerde een Maastrichtse distillateur voor de plaatselijke rechtbank hoe hij op deze wijze ook jenever in cognac kon veranderen.[2] De imitatiepraktijken werden bevorderd door Nederlandse producenten van kleur-, geur- en smaakstoffen. Essenceproducenten als Polak & Schwarz (Zaandam) en Büter (Amsterdam) waren zo gis om receptenboekjes te verstrekken met tips hoe de beste imitatiecognac of façon-cognac kon worden gemaakt. Om het synthetische aroma van het cognacessence te verbloemen werd distillateurs en wijnhandelaren aangeraden ook een heel klein beetje echte cognac aan het imitatieproduct toe te voegen.

Vanwege de talloze imitatiecognacs die op de markt werden aangeboden gingen sommige Nederlandse importeurs van echte cognac ertoe over hun product te laten attesteren door laboratoria als zijnde “geheel zuiver en onvervalscht”. Dergelijke attesten riepen dan weer – terechte – vragen op bij andere marktpartijen want hoe kon bijvoorbeeld een laboratorium als dat van Dr. P.F. van Hamel Roos (Amsterdam) vaststellen dat een product dat door de importeur werd aangeprezen als cognac uitsluitend en alleen bestond uit een distillaat van wijn (eau-de-vie de vin) uit de Cognacstreek? Het was immers heel goed denkbaar dat zo’n cognac ook wijndistillaat bevatte dat was bereid uit goedkope wijnen van elders.[3]

Natuurlijk is het verleidelijk om het ontstaan van Hollandse imitatiecognac te verklaren uit nationale (on)deugden als schraapzucht en handelsgeest. Niet vergeten moet echter worden dat ook de omstandigheden soms een aardig handje hebben meegeholpen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog viel de aanvoer van Franse cognac nagenoeg volledig stil. Nederlandse wijn- en gedistilleerdhandelaren die het geluk hadden over een ruime cognacvoorraad te beschikken sponnen daar garen bij. Gedurende korte tijd maakten zij flinke oorlogswinsten. In 1918 moest voor een fles gewone Franse cognac het vier- of vijfvoudige worden neergeteld van wat in 1916 gangbaar was. Genoemde cognacschaarste en prijsontwikkeling hebben er ongetwijfeld toe bijgedragen dat sommige Nederlandse distillateurs en wijnhandelaren zich zijn gaan toeleggen op de vervaardiging van imitatiecognac.

Een andere belangrijke kanttekening die moet worden gemaakt is dat het niet alleen Nederlandse distillateurs en wijnhandelaren waren die zich vergrepen aan de herkomstbenaming cognac. Ook bij onze oosterburen werden imitatiebrandewijnen gestookt uit melassealcohol, die vervolgens te koop werden aangeboden onder de benaming cognac. Distillaten van Duitse wijnen werden eveneens verhandeld als zijnde cognac. Bovendien weigerde Duitsland de Conventie van Madrid (april 1891) te ondertekenen waarin door de landen van de zogenaamde Industriële Unie was vastgelegd dat cognac een beschermde herkomstbenaming was. Na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog werd Duitsland door het Verdrag van Versailles (juni 1919) gedwongen alsnog de Conventie van Madrid te onderschrijven. Voor distillaten van Duitse wijnen werd daarna de benaming Weinbrand gemeengoed.[4] Hoewel Nederland de Conventie van Madrid wèl had ondertekend werd door achtereenvolgende regeringen geen enkele haast gemaakt met de invoering van wettelijke maatregelen ter eerbiediging van geografische herkomstbenamingen.

Eerst proeven, dan geloven

Natuurlijk kon elke ‘kenner’ het verschil proeven tussen Hollandse en Franse cognac maar uiterlijk waren de twee nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Daarbij werd het Hollandse imitatieproduct schaamteloos aangeprezen als zijnde cognac en werden etiketten gebruikt met Frans klinkende namen van gefingeerde cognacproducenten. Dat de consument op deze wijze misleid en belazerd werd, daarover haalde iedereen in de wijn- en gedistilleerdhandel zijn schouders op. Wanneer wijn- en gedistilleerdhandelaren echter zelf bedonderd werden toonden zij zich minder laconiek. Zo werd in 1918 aangifte van misleiding gedaan tegen een distillateur uit Vlaardingen die erin geslaagd was slijters een imitatiecognac aan te smeren tegen de prijs van echte cognac. De sluwe Vlaardingse distillateur had etiketten, prijscouranten en circulaires laten drukken die waren voorzien van het merktekentje van een Franse drukkerij. In werkelijkheid was dit drukwerk gewoon op een Hollandse drukpers vervaardigd. Het ‘Franse’ merktekentje had slijters echter doen geloven met echte cognac te maken te hebben. De Vlaardingse distillateur werd door de rechtbank te Rotterdam een boete opgelegd van zestig gulden.[5]

Hollandse imitatiecognac bleek een blijvertje, ook toen na de Eerste Wereldoorlog weer volop echte cognac kon worden geïmporteerd. Wat ook bleef was de neiging tot bedrog met een artikel dat eruit zag als cognac, ongestraft verkocht mocht worden onder de benaming cognac maar allesbehalve echte Franse cognac was. In de handel gold dan ook het adagium Eerst proeven, dan geloven alvorens tot aankoop van een partij cognac werd overgegaan. Een bekende truc om Hollandse als Franse cognac te verkopen was het wikkelen van flessen in Franse kranten waardoor het leek alsof de betreffende partij uit Frankrijk was geïmporteerd. In 1940 hoorde een Schiedamse handelaar zes weken gevangenisstraf tegen zich eisen omdat hij op deze wijze een collega bij de neus had genomen.[6]

Naast de Hollandse imitatiecognac op basis van melassealcohol keerde in de jaren dertig ook de koetsierscognac terug die ten dele bestond uit echte cognac en ten dele uit witte wijn. De naam waaronder dit product thans werd verkocht was wijncognac. Wijncognac was een typisch crisisartikel gericht op consumenten met een smalle beurs. Waar een liter onversneden Franse cognac in 1934 al snel ƒ 3,20 kostte en voor een liter Hollandse façon-cognac nog altijd zo’n ƒ 2,50 moest worden neergeteld, kostte een liter wijncognac circa ƒ 1,70. Met de ondertekening van het Frans-Nederlandse Traité de Commerce et de Navigation (Verdrag van Handel en Scheepvaart) in mei 1935, verplichtte de Nederlandse regering zich ten langen leste haast te gaan maken met wettelijke maatregelen ter eerbiediging van Franse geografische herkomstbenamingen als cognac. De oorlog gooide echter roet in het eten en maakte dat het probleem van de Hollandse imitatiecognac werd doorgeschoven naar vreedzamer en rustiger tijden.

Hollandse cognac wordt vieux 

Georg Bodenhausen (1905-1997)Piet Witteman (1892-1972)Paul Bauduin (1905-1999).Vanaf 1949 werd vanaf Franse zijde de druk op de Nederlandse regering in dit slepende dossier flink geïntensiveerd. Daarnaast nam het Franse Institut National des Appellations d’Origine des Vins et Eaux-de-vie  (INAO) de befaamde Nederlandse merkenrechtadvocaat Georg Bodenhausen (1905-1997) in de arm om jurisprudentie te creëren die het Nederlandse distillateurs en slijters lastig of onmogelijk moest maken te handelen in Hollandse cognac. Bodenhausen begon een proefproces tegen de Haagse slijter Jacob Mettes (1889-1963) die in zijn zaak Hollandse imitatiecognac verkocht. De Haagse rechtbank stelde weliswaar dat het in strijd was met de maatschappelijke zorgvuldigheid om Hollandse cognac op zodanige wijze aan te bieden dat de indruk werd gewekt dat men te doen had met een uit Frankrijk geïmporteerde drank, maar meende tegelijkertijd dat het Nederlandse distillateurs en slijters op zichzelf niet verboden kon worden om de aanduiding cognac te gebruiken. Bodenhausen ving dus bot.

Alleen aanhoudende druk op de Nederlandse regering tot implementatie van wet- en regelgeving kon uitkomst brengen. De totstandkoming van de Europese Economische Gemeenschap (1958) werkte wat dit betreft in het voordeel van de Fransen. De gemeenschappelijke Europese-markt-in-de-maak verdroeg geen verwarring over de benaming, samenstelling en herkomst van cognac. In 1958 kreeg de Adviescommissie Warenwet, vallend onder het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, opdracht om in samenspraak met de betrokken branches regelgeving te ontwerpen die tegemoet kwam aan de Franse eis tot eerbiediging van de beschermde herkomstbenaming cognac. De Nederlandse distillateurs, verenigd in het  Productschap voor Gedistilleerde Dranken (PGD),  stelden bij monde van hun voorzitter, voormalig minister van Binnenlandse Zaken Piet Witteman (1892-1972) voor, om in het vervolg de benaming ‘cognac Nederlands fabrikaat’ te gaan hanteren. Dit compromis werd echter door de Fransen van de hand gewezen. In juli 1959 werden in het Wijnbesluit (Warenwet) voorschriften opgenomen die bepaalden dat de benaming cognac uitsluitend mocht worden gebruikt voor een eau-de-vie de vin uit de Charente. Evenzo werden ook de Franse herkomstbenamingen armagnac en calvados erkend. Nederlandse distillateurs kregen twee jaar de tijd om een alternatieve benaming  te verzinnen voor hun imitatiecognac en om hun bestaande etiketten op te maken.

Onderling overleg van de Nederlandse distillateurs leidde vervolgens tot de nieuwe soortnaam vieux. Dat Franse woord was bij veel consumenten bekend en leverde geen grote uitspraakproblemen op. Bovendien werd het woord vieux al op veel Hollandse cognacetiketten vermeld bij wijze van kwaliteitsaanduiding (‘cognac vieux’ of ‘vieux cognac’). Vanaf 1 september 1961 werden door Nederlandse distillateurs geen producten meer op de markt gebracht onder de naam cognac. Alle Hollandse imitatiecognacs gingen voortaan door het leven als vieux. Sommige distillateurs vreesden dat die naamswijziging een ongunstig verbruikseffect zou hebben. Vandaar dat het Productschap voor Gedistilleerde Dranken voorstelde om het product vieux door middel van een collectieve reclamecampagne een zetje in de rug te geven. Aan de destijds bekende reclameontwerper Paul Bauduin (1905-1999) werd gevraagd een serie dagbladadvertenties te maken.

Geen collectieve reclamecampagne voor vieux

In kringen van distillateurs had Bauduin zijn sporen reeds verdient met de campagne Een matig mens is zijn vrijheid waard (1954-1955). In die campagne was stelling genomen tegen de door enkele maatschappelijke organisaties gepropageerde gedachte tot invoering van een stelsel van plaatselijke keuze. Zo’n stelsel, waarbij kiesgerechtigden zich konden uitspreken over de mogelijkheid tot drooglegging van hun gemeente, was in de ogen van distillateurs een gruwel. De boodschap van de campagne Een matig mens luidde dat Nederlanders lang niet zulke nathalzen waren als vaak werd beweerd en dat plaatselijke drooglegging een vorm van repressie was. De meeste politici waren het daar roerend mee eens.

Collectieve reclamecampagne vieux 1961 (1)

Collectieve reclamecampagne vieux 1961 (2)

De scherpte en overtuigingskracht van de campagne Een matig mens ontbrak helaas in Bauduins collectieve reclamecampagne voor vieux. Bauduin kwam op de proppen met een serie advertenties waarin zorgvuldig vermeden werd te vertellen dat Hollandse cognac voortaan vieux moest heten. Alleen uit het gegeven dat het woord cognac op zeker moment uit de advertentieteksten verdween zou een aandachtig toeschouwer kunnen opmaken wat er aan de hand was. Ook de slagzin die door Bauduin was bedacht – En vergeet niet vrienden… vanavond een (cognac) vieux – voldeed niet. De zin was te lang en lag niet goed in het gehoor. Vanavond een vieux, kort met drie zachte v-klanken op rij, was ongetwijfeld een veel betere slagzin geweest. Met name Nederlands grootste distillateur, Bols, was niet erg onder de indruk van Bauduins voorstel. Bovendien had Bols begin 1961 vergevorderde plannen om met een eigen merk vieux (Parade) op de markt te komen en voelde het bedrijf er daarom weinig voor om ook mee te betalen aan een collectieve reclamecampagne. Het Productschap voor Gedistilleerde Dranken constateerde dat er te weinig draagvlak was voor een collectieve reclamecampagne en bedankte Bauduin voor de moeite. Nevenstaande advertenties hebben dus nooit de kranten gehaald.

In tegenstelling tot wat sommige distillateurs hadden gevreesd ondervonden de verkoopcijfers geen enkel nadelig gevolg van de afschaffing van het woord cognac. In 1965 werd bijna drie keer zoveel vieux verkocht als Hollandse cognac in 1960. Tot en met 1985 was vieux, na jonge jenever, de populairste gedistilleerde drank van Nederland. In 1986 werd vieux door whisky van de tweede plaats gedrongen. Van de totale hoeveelheid gedistilleerde dranken die in Nederland wordt gedronken bestaat tegenwoordig nog maar zo’n 5% uit vieux.

© Peter Zwaal, 2011

 


[1] Zie voor een net iets andere etymologische verklaring van het woord koetsiertje: Ewoud Sanders, Borrelwoordenboek : 750 volksnamen voor onze glazen boterham (Den Haag : Sdu ; Antwerpen : Standaard Uitgeverij, 1997) p.111-112
[2] Algemeen Handelsblad, 1 en 15 juni 1893
[3] Algemeen Handelsblad, 1 december 1884
[4] Algemeen Handelsblad, 20 september 1905; Algemeen Handelsblad, 12 november 1911; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 februari 1922
[5] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 20 januari 1920
[6] Schiedamsche Courant, 24 oktober 1940

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on TumblrPin on PinterestShare on Google+Email this to someone