Wij van het bloemenbevrijdingsfront

bloemschikken (omslagontwerp J.E. Nieuwenhuis) 1957Ans Muller-Idzerda (circa 1982)

Anna Catharina [Ans] Muller-Idzerda (1905-1995) was meer dan vijftig jaar lang dé Nederlandse autoriteit op het gebied van bloemen- en plantenverzorging in en rondom het huis. Als 18-jarige kreeg ze een rubriekje over dit onderwerp in het tijdschrift Floralia, dat werd uitgegeven door Van Gorcum & Comp., een uitgeverij-drukkerij in Assen waarvan de directie werd gevoerd door twee ooms van moederszijde.[1] De nog ongehuwde Ans Idzerda hoopte eigenlijk dat Floralia geïnteresseerd was in haar bloemen- en plantentekeningen. De toenmalige hoofdredacteur van Floralia, J.F.Ch. [Johan] Dix (1881-1988), vond die tekeningen wel aardig maar kon ze natuurlijk niet plaatsen zonder enige tekst erbij. En dus suggereerde hij dat Ans ook maar de pen ter hand moest nemen. Was het een nette manier om het nichtje van de heren Van Gorcum af te poeieren zonder de heren voor het hoofd te stoten? Dat zou best wel eens het geval kunnen zijn geweest. Hoe dan ook liet Ans zich niet ontmoedigen en nam ze de uitdaging aan. Haar eerste stukjes voor Floralia kwamen nog wat moeizaam tot stand maar allengs ging het beter en kreeg ze de smaak te pakken.[2] In haar productieve carrière als publicist (of “groenjournalist” zoals ze zich zelf noemde) heeft Ans Idzerda (vanaf 1927 Muller-Idzerda en woonachtig in Voorschoten) er altijd naar gestreefd de Nederlandse huisvrouw een beetje kennis, handigheid en vooral ook smaak bij te brengen op het gebied van bloemen en planten. De meeste boeken die ze schreef werden vele malen herdrukt en voorts produceerde ze een schier eindeloze reeks artikelen voor kranten (De Telegraaf, De Rotterdammer), damesbladen (Libelle, Beatrijs, Rosita) en groentijdschriften (Floralia, Groei en Bloei, Onze Eigen Tuin). Daarmee trad ze in zekere zin in de voetsporen van haar vader Wieger Hendrikus Idzerda (1872-1938), die zich op een heel ander gebied, te weten de fotografie, een minstens zo gedreven promotor en publicist toonde.[3]

Bij de Amsterdamse uitgeverij Kosmos verscheen in het najaar van 1957 het boekje Bloemschikken, geïllustreerd met “meer dan 50 fraaie foto’s en 13 tekeningen”.[4] Het werkje is blijkens het voorwoord uit ergernis geboren: “Ergernis over de wijze waarop nog zovelen hun snijbloemen mishandelen, niettegenstaande het prachtige voorbeeld dat de moderne bloemisten in hun etalages weten te geven.” Het is verleidelijk om nog enkele passages uit het voorwoord te citeren, waarbij men er nota van neemt dat Ans Idzerda zich bedient van het majesteitsmeervoud: “Van jongsaf aan hebben wij steeds de neiging bij ons voelen opkomen om alle zielige bloemen, die dikwijls in gehele bossen, soms met het touwtje er nog om, in niet passende vazen gepropt werden, te bevrijden.” Toe maar. Nog maar een citaat: “Deze beknopte handleiding is uitsluitend bedoeld voor amateurs, heeft niet de pretentie ervaren bloemsierkunstenaars naar de kroon te steken en houdt zich buiten alle gelegenheids-bloemwerk, waarvoor wij nu eenmaal de bloemist de juiste man op de juiste plaats achten!” Oké, duidelijk: geen bruidsboeketten en rouwkransen dus in dit boek en ook geen hoogst artistieke arrangementen. Ans Idzerda toont zich hier opvallend bescheiden en stelt impliciet dat ze slechts een begaafde amateur is. Elders in het boek herhaalt ze dat: haar scheppingen kunnen hooguit aanspraak maken op “een tikje artisticiteit”.

Maar ho ho, wacht eens even. Zijn die bijna vijftig afgebeelde bloemarrangementen wel allemaal door Ans Idzerda zelf gemaakt? Nee zeker niet. Wie het boekje aandachtig doorleest bemerkt dat Ans Idzerda schakelt tussen twee registers. Meestentijds hanteert ze de meervoudsvorm wij, waarmee ze probeert een band met de lezer te smeden. Wij is dus niet “wij, Koningin Ans van het bloemenbevrijdingsfront” maar moet veeleer worden begrepen als “U en ik”, “wij huisvrouwen” of “wij amateur-bloemsierkunstenaars”. Als Ans Idzerda uitgebreid beschrijft hoe “wij” een bepaald bloemarrangement moeten maken kun je er bijna vergif op innemen dat zij het afgebeelde bloemstukje zelf vervaardigd heeft. Maar soms zijn haar beschrijvingen veel beknopter en hanteert ze opeens de aanspreekvorm U. Ik heb het sterke vermoeden dat die bloemarrangementen niet onder Ans’ eigen handen zijn ontstaan. Hier voelde het ongepast de wij-vorm te gebruiken omdat zij er zelf geen aandeel in had!

In het voorwoord schrijft Idzerda dat ze bij de totstandkoming van het boekje veel steun heeft ondervonden van “wijlen The Tjong Tjioe, Chinees wijsgeer, kunstschilder en bloemsierkunstenaar”. De in Den Haag woonachtige Chinees-Indische Nederlander Robert The Tjong Tjioe (19??-1954) is waarschijnlijk één van degenen geweest van wie Idzerda de kunst van het bloemschikken leerde.[5] Van Robert The leerde ze dat elk arrangement een centraal punt (“hart”) moet hebben en dat nooit twee bloemen op dezelfde hoogte moeten worden gestoken.[6] Of Idzerda ook zwaar tilde aan de zen-boeddhistische bedoelingen van de Oosterse bloemsierkunst – een bloemstuk moet altijd uitdrukking geven aan de menselijke verbondenheid met zowel het aardse als het goddelijke en daarnaast de geestesgesteldheid van de maker weerspiegelen – durf ik te betwijfelen. Ze was er waarschijnlijk te praktisch voor. Voor Idzerda lag bloemschikken simpelweg in het verlengde van tuinarchitectuur: een kwestie van kleur- en lijnenspel waarbij in compositorisch opzicht een zekere harmonie moest worden bewerkstelligd tussen geometrisch formalisme en natuurlijke ongedwongenheid.[7] Robert The’s partner Ernst Verwaal (1926-1994) liet in 1958 een boekje verschijnen waarin wel uitgebreid bij de levensbeschouwelijke dimensie van de Oosterse bloemsierkunst werd stil gestaan.[8]

fout (foro Gerrit Schilp)goed (foto Gerrit Schilp)Ans Idzerda loodst haar lezers trefzeker en zonder een spoor van twijfel door haar boekje, dat grofweg de gang der seizoenen volgt met hoofdstuktitels als Het wordt altijd weer lente, De zomer schenkt ons zijn overvloed, In de chrysantentijd (wat een mooi synoniem voor herfst!) en Als kerstmis nadert. Bijna elke pagina bevat wel een paar stelligheden. Een rond opgemaakt bloemstuk is beter op zijn plaats in een klassiek dan in een modern interieur. Platte vazen vragen om sobere composities met strakke lijnen. De onderste bloem moet altijd op de rand van de vaas hangen. Chrysanten zijn te grof voor glazen vazen. Bloemstelen mogen elkaar boven de vaas nooit kruisen. Enzovoorts, enzovoorts. Uiteraard zijn de foto’s in zwartwit. Om de beperkingen daarvan op te heffen wordt in de fotobijschriften stelselmatig aandacht geschonken aan het aspect kleur. Dat levert nogal omslachtige bijschriften op zoals: “Wit schaaltje met bloemprikker, opgemaakt met drie blauwe boshyacinten, drie roze gebroken hartjes en een toef duizendschoon in dezelfde tint aan de voet, geflankeerd door purperkleurig bergeniablad.” De foto’s zijn in meerderheid vervaardigd door de Haagse fotografen Gerrit Schilp (1929-2000) en A.J. [Lex] Dingjan (1927-1985). Schilp was vooral werkzaam als reclamefotograaf en Dingjan hield zich ook met portret- en architectuurfotografie bezig. Schilp maakte het enige fotopaar in het boekje: twee keer dezelfde vaas en dezelfde bloemen maar één keer zonder enig gevoel voor compositie in de vaas gepropt en één keer een tikje artistiek geschikt. Eigenlijk jammer dat Ans Idzerda dit procedé niet vaker in haar boekje heeft toegepast, want het maakt wel aanschouwelijk waar het bij bloemschikken om draait. De vormgeving van het boekje was in handen van J.E. [Jaap] Nieuwenhuis (1927). Ik ben er niet kapot van. Het had allemaal wel wat luchtiger gemogen, met meer wit zoals ook een bloemschikking enige luchtigheid behoeft.

© Peter Zwaal, 2016

[1] Jaap Hagedoorn, Overdracht van meer dan letters… : Van Gorcum 1800-2000 (Assen : Van Gorcum, 2000) p.74
[2] Leeuwarder Courant, 9 april 1982 ; J.F.Ch. Dix, Ten geleide. – In: A.C. Muller-Idzerda, Het groene leven : bloemen en planten in huis en tuin (Utrecht/Antwerpen : Het Spectrum, 1982) p.5
[3] Ingeborg Th. Leijerzapf, W.H. Idzerda, Fotolexicon 26 (2009) 41 (september) ; http://journal.depthoffield.eu/vol26/nr41/f02nl/en
[4] A.C. Muller-Idzerda, Bloemschikken (Amsterdam/Antwerpen : Kosmos, 1957). In 1959 verscheen een 2e verbeterde druk en in 1962 een 3e druk. Daarna werd de uitgave grotendeels herzien en heruitgebracht onder de titel Zelf bloemen schikken (1964) in de Kosmos-reeks Weten en kunnen (nr. 259).
[5] A.C. Muller-Idzerda, Het groene leven : bloemen en planten in huis en tuin (Utrecht/Antwerpen : Het Spectrum, 1982) p.23
[6] A.C. Muller-Idzerda, Bloemschikken (Amsterdam/Antwerpen : Kosmos, 1957) p.12-14
[7] Ibidem, p.28. Zie ook: A.C. Muller-Idzerda, Het groene leven : bloemen en planten in huis en tuin (Utrecht/Antwerpen : Het Spectrum, 1982) p.260
[8] Robert The Tjong Tjioe & Ernst Verwaal, Oosterse bloemsierkunst (Amsterdam : De Driehoek, 1958). Nadien herdrukt onder de titel: Zen in de kunst van het bloemschikken (Amsterdam : De Driehoek, 1980). The Tjong Tjioe en Verwaal waren beiden actief in de Boeddhistische Vriendenkring in Den Haag. Marcel Poorthuis & Theo Salemink, Lotus in de Lage Landen : de geschiedenis van het boeddhisme in Nederland : beeldvorming van 1840 tot heden (Almere : Parthenon, 2009) p.327; Jacques den Boer, Tulpenboeddhisme : hoe het boeddhisme in Nederland wortel heeft geschoten [lezing t.g.v. 40-jarig bestaan van de Stichting Vrienden van het Boeddhisme, 18 november 2007],  https://boeddhistischdagblad.nl/dharma-en-filosofie/5665-tulpenboeddhisme-hoe-het-boeddhisme-in-nederland-wortel-heeft-geschoten-1/

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on TumblrPin on PinterestShare on Google+Email this to someone